Lozingen van afvalwater kunnen worden ingedeeld in directe en indirecte lozingen.
Indirecte lozingen
Lozingen op een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, kortweg riolering, zijn indirecte lozingen. Hierbij maakt het niet uit of vanuit die riolering al dan niet via een zuivering (bijvoorbeeld een rioolwaterzuiveringsinstallatie) in het milieu wordt geloosd, dus of het een vuilwater- of een schoonwaterriool betreft. De indirecte lozingen vallen onder de Wet milieubeheer.
Directe lozingen
Wanneer bedrijven of huishoudens rechtstreeks in het oppervlaktewater of in de bodem lozen, is er sprake van directe lozingen. Directe lozingen in het oppervlaktewater vallen onder de werkingssfeer van de Waterwet. Ook als wordt geloosd op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij de waterbeheerder of ander openbaar lichaam (dus zonder bijvoorbeeld tussenkomst van een riolering) is ten aanzien van deze lozingen de Waterwet van toepassing.
Regelgeving
Directe en indirecte lozingen worden binnen de regelgeving voor afvalwater ingedeeld in vier groepen en worden geregeld in de volgende drie besluiten en een ontheffing:
- lozingen vanuit inrichtingen: Activiteitenbesluit;
- lozingen buiten inrichtingen: Besluit lozing afvalwater buiten inrichtingen (verwachte ingangsdatum 1-7-2011) Tot die tijd geldt voor deze lozingen het Lozingenbesluit bodembescherming;
- lozingen vanuit huishoudens: Besluit lozing afvalwater huishoudens;
- voor de overige lozingen vanuit niet-inrichtingen in de riolering kan de gemeente op grond van artikel 10.63 Wm onder voorwaarden ontheffing verlenen van het lozingsverbod. Het betreft hier vooral lozingen van bedrijfsmatige activiteiten die milieubelastend zijn en waarbij het verbinden van voorschriften aan de lozing noodzakelijk is. Te denken valt aan het reinigen van gevels en het lozen van bemalingswater van bijvoorbeeld bouwputten, waarbij vooral het geloosde volume de doelmatige werking van het openbaar riool in gevaar kan brengen.